Dier mag alleen lijden in belang mens

Negentig procent Nederlanders tegen testen, maar voor vaccin is het wel oké

Voor- en tegenstanders van dierproeven zijn het over één ding eens: de samenleving is slecht geïnformeerd. Zo denken veel mensen dat cosmetica op dieren wordt getest, terwijl dat in Nederland al tien jaar verboden is.

Negentig procent van de Nederlanders is tégen het gebruik van dieren om proeven op te doen. Klare taal, zo lijkt het. Maar als het gaat om het testen van vaccins, vindt driekwart van de mensen dat dierproeven ineens wèl gerechtvaardigd zijn. En tachtig procent vindt dierproeven prima, als artsen die nodig achten in hun zoektocht naar een nieuw kankermedicijn.

Dat blijkt uit onderzoek van de afdeling proefdierkunde van de Universiteit Utrecht. Een verwarrende uitslag. Zijn we nou vóór? Of tégen? ,,Beide,” zegt Frauke Ohl, hoogleraar proefdierkunde, faculteit diergeneeskunde. Of misschien geen van beide, want volgens Ohl kunnen de meeste mensen niet weten wat ze ervan vinden. ,,We weten vooral wat activisten en andere dierenbeschermers vinden. Zij zijn tegen álle proeven. En zij zijn de enigen die van zich laten horen.”

Maar voor de meeste mensen geldt volgens haar dat ze geen idee hebben wat dierproeven precies inhouden en waar ze voor dienen. ,,Sommigen denken dat de proeven alleen worden ingezet om levensreddende medicijnen te ontdekken. Terwijl maar een beperkt deel van alle proeven in Nederland daarvoor wordt ingezet. Anderen vinden dat je écht geen proeven mag doen voor cosmetische producten. Terwijl dát al meer dan tien jaar verboden is.”

Vandaag tot en met zaterdag houdt haar faculteit een symposium over de stand in dierproefland. De eerste twee dagen zijn een wetenschappelijk onderonsje over wetgeving, alternatieven en nieuwe inzichten in het veld. Maar zaterdag is er een publieksdiscussie. Ohl hoopt meer te weten te komen over de standpunten van de Nederlandse samenleving.

Eerst de cijfers: In 2007 zijn 597.505 dierproeven gedaan. Dat blijkt uit de meest recente gegevens van de Voedsel en Waren Autoriteit. In de meeste gevallen ging het om proeven voor de ontwikkeling van vaccins, sera en geneesmiddelen (voor de mensen én dieren) of wetenschappelijk onderzoek. In 9 procent van de gevallen betrof het giftigheidstesten.

De meeste proeven zijn in 2007 gedaan op muizen (46 procent) en ratten (24 procent). Kippen en vissen volgen met 16 en 5 procent. Apen vormen met 600 stuks een kleine groep. Ruim een derde van de dieren ervoer matig tot zeer ernstig ongerief tijdens de proef. Tachtig procent van de dieren overleefde de proef niet.

,,Niemand is vóór dierproeven,” zegt Cees Smit, voorzitter van de Stichting Informatie Dierproeven. ,,Maar we kunnen niet zonder. Mensen willen medicijnen die goed werken. We verlangen dat artsen antwoorden geven op onze medische vragen. We willen schoonmaakmiddelen kopen, gebruiken én zeker weten dat ze veilig zijn. En we willen onze huisdieren bijna dezelfde zorg geven als onze kinderen. De samenleving stelt eisen. Daar zijn dierproeven voor nodig. Vaak zijn ze wettelijk verplicht, en bij geneesmiddelen altijd.”

Smit wijst erop dat wetenschappers, dankzij dierproeven, vaccins en antibiotica hebben kunnen ontwikkelen. Ze zijn bittere noodzaak om vooruitgang te boeken bij de bestrijding van kanker, astma en virussen als aids, betoogt Smit. ,,Ethische commissies beoordelen voor elke proef of de gevolgen voor het dier in verhouding staan tot het doel van de proef.”

Dieren zijn geen gebruiksvoorwerpen, klinkt het onverbiddelijk uit de mond van Robert Molenaar van de Anti Dierproeven Coalitie. Waarom zou je de giftigheid van een nieuw schoonmaakmiddel moeten testen op een cavia, vraagt hij zich af. ,,En waarom zou een dier moeten lijden om de gezondheidsclaim ‘goed voor de darmflora!’ hard te maken?” Ook voor medisch onderzoek zijn inmiddels veel diervriendelijke alternatieven, zegt hij. ,,Celkweek in reageerbuisjes, kunsthuid, computermodellen. Er is al heel veel mogelijk. Er had nóg veel meer mogelijk geweest, áls wetenschappers minder tijd hadden besteed aan dierproeven en meer aan alternatieven.

Molenaar: ,,Waarom zouden we proeven doen op dieren, terwijl we de macht hebben om het níet te doen?” Smit: ,,Niemand houdt van dierproeven, maar het kan vaak niet anders.” Ohl: ,,De Nederlandse samenleving moet het maar zeggen. In welke gevallen vindt u dierproeven gerechtvaardigd?”

Tot nu toe

– 1959 Wetenschappers Russell en Burch houden een pleidooi om het aantal dierproeven in de wetenschap terug te dringen. Ze introduceren de drie V’s: Vermindering, Verfijning en Vervanging. Ze hopen op een humanere aanpak.

– 1977 In Nederland wordt de wet op de proefdieren van kracht en in 1997 het verbod op dierproeven voor cosmetica. De drie V’s zijn al jaren officieel regeringsbeleid.

– 2007 Uit de meest recente cijfers van de Voedsel en Waren Autoriteit blijkt dat rond de 600.000 dierproeven zijn gedaan. Dertig jaar geleden was dat drie keer zo veel.

Hoogleraar: ‘We zitten nog tientallen jaren vast aan proeven op dieren’

De laatste jaren is het aantal dierproeven gestaag afgenomen, blijkt uit de cijfers van de Voedsel en Waren Autoriteit. In 2007 is bijvoorbeeld 1 procent minder dierproeven gedaan dan in 2006.

Dat líjkt weinig, zegt Coenraad Hendriksen, hoogleraar Alternatieven voor Dierproeven, maar dat valt mee. ,,Tegelijk met de daling van het aantal dierproeven nemen de eisen van de samenleving toe. Zo willen we nieuwe schoonmaakmiddelen en bestrijdingsmiddelen die niet kankerverwekkend zijn. Drankjes moeten ons gezond houden én maken. En onze huisdieren mogen niet langer sterven aan aandoeningen die hen een aantal jaar geleden nog wél fataal werden. Daar is onderzoek voor nodig. Paradoxaal genoeg zijn dierproeven dus ook nodig om andere dieren gezond te maken.”

Soms schrijft de Nederlandse wet de dierproeven voor. Soms gaat het om Europese regelgeving. Dat het aantal dierproeven toch afneemt, komt door de ontwikkeling van alternatieven, zegt Hendriksen. ,,Veel dierproeven zijn niet meer nodig door nieuwe technieken als weefselkweek en computersimulaties. En ook het ongerief voor de dieren wordt steeds minder.” De ontwikkeling van alternatieven kost geld, zegt Hendriksen. Veel geld.

Uiteindelijk is het een politieke, en dus een maatschappelijke keus, hoeveel geld we daar voor over hebben, legt hij uit. Bijkomend probleem is dat het vijf tot zes jaar kan duren voordat een alternatief internationaal wordt erkend. ,,Zoals het er nu naar uit ziet, zitten we nog wel tientallen jaren vast aan dierproeven.”