‘Even is het doodstil’

Vliegtuigcrash Schiphol: 9 doden en 86 gewonden

‘Landerijen trekken onder me voorbij. Daar is de A9 en Schiphol. En dan nu de landingsbaan, maar nee. De neus trekt ineens omhoog. We zwenken naar links. We hangen helemaal scheef. We zullen nog wel even niet mogen landen, denk ik. En dan ineens: boem. Ik word voorover gedrukt. Mijn rug knakt.

Mijn ogen gaan open en mijn lichaam voelt stijf. Het stinkt waarschijnlijk door airbags of zo. Mijn buurman roept dat de deur open moet. Straks vliegt de boel in de fik, zegt hij. Ik zie allemaal bloedende koppen. Open wenkbrauwen. Rode gezichten. Bloedneuzen. Gekrijs. Niet echt paniek. Wél onrust.”

Henk Heijloo (60) is een van de gelukkigen. Hij overleeft zonder grote verwondingen de vliegtuigcrash van gisteren. Bij de klap van de Boeing 737-800 van Turkish Airlines op het weiland vlak voor de Polderbaan van Schiphol komen 9 mensen om het leven.

Er zijn op de vlucht van Istanboel naar Amsterdam 128 passagiers aan boord en 7 bemanningsleden. Door de klap breekt het toestel in 3 stukken. Veel gewonden zitten klem tussen de wrakstukken. Er vallen 58 gewonden. Zes mensen waren gisteravond nog in levensgevaar.

Over de oorzaak van de crash is nog niets bekend. Ooggetuigen en passagiers vertellen dat alles lijkt op een normale landing tot het toestel opeens recht uit de lucht komt vallen, waarschijnlijk door een te lage snelheid. Zowel politie, justitie als de Onderzoeksraad voor Veiligheid is een onderzoek begonnen.

Het vliegtuig, 7 jaar oud, heeft afgelopen december zijn jongste onderhoudsbeurt gehad. Turkse autoriteiten trokken gisteren daaruit direct de conclusie dat er met het toestel niets mis was.

Na de eerste noodmelding om 10.31 uur, rukken hulpdiensten massaal uit. Ze zijn snel ter plaatse. Landbouwtrekkers bieden uitkomst bij de slappe polderklei waarin ambulances wegzakken. Tegelijkertijd heeft de slappe, omgeploegde grond veel van de klap opgevangen en mogelijk zo mensen het leven gered.

Gedurende de hele dag zijn 750 hulpverleners actief. Zowel premier Jan Peter Balkenende als de Turkse ambassadeur in Nederland Selahattin Alpar prijzen het werk van hulpverleners en vrijwilligers.

Die treffen bij het vliegtuig overlevenden aan die elkaar uit het toestel helpen, zo goed en zo kwaad als het kan. Mensen zijn in shock of proberen bezorgde familieleden te bellen. Henk Heijloo zit in het toestel naast een deur en opent de nooduitgang. Hij wil uitstappen, maar het lukt niet, omdat de gordel vastzit. Zijn buurman helpt. ,,Dan sta ik ineens in de deuropening. Als eerste. Ik zie een weiland. Prachtig strak omgeploegd. Het is eventjes doodstil. Ik ben verdoofd.”

Heijloo ziet stilstaande auto’s langs de snelweg. Bizar, beseft hij. Die mensen zien een gecrasht vliegtuig liggen en hij staat zelf in de deuropening. Hij glijdt via de vleugel naar de grond. Tientallen passagiers volgen. ,,We staan in de klei en beginnen te klauteren. Wegwezen, denk ik. Hier is sprake van een ramp en ik leef nog.”

Eerste gedachte naast het wrak: ‘mijn vrouw bellen’

Henk Heijloo belt rond 10.45 uur zijn vrouw Giselle. Hij staat in een modderige akker met zijn rug naar het vliegtuigwrak. ,,Moet je horen. Met mij is niks gebeurd. Maar we zijn net neergestort.”

Het is het raarste telefoontje wat de financieel consultant uit Heelsum ooit heeft gepleegd. Zijn vrouw weet er geen raad mee: ,,Ik ben blij je te spreken,” weet ze uit te brengen voor ze stilvalt. Haar man houdt het kort, want meer mensen willen het thuisfront bellen. ,,Ik praat je later bij.”

Negen mensen zijn omgekomen. Veel gewonden. Vijf uur later zit hij alweer thuis, terwijl hulpverleners nog de lichamen van de piloten uit de cockpit zagen. Bloedspetters op zijn jasje. Van wie? Geen idee. Modder op zijn overhemd. Zijn rug doet pijn. Heijloo haalt het kaartje van zijn stoel in rij 12 uit zijn binnenzak . ,,Mijn geluksticket.”

Hij dacht onderweg nog: wat een heerlijke vlucht heb ik. ,,Vliegen met Turkish Airlines is ouderwets prettig. Je krijgt gewoon een warme hap onderweg. Ik had een prachtig uitzicht op de besneeuwde bergtoppen in Oostenrijk.”

Dan wendt de gezagvoerder zich tot de passagiers. De daling is ingezet. Of ze hun riemen willen vastgespen. ,,Ik pakte mijn telefoon om na de landing meteen te kunnen bellen. In Istanboel waren we met een grote deal bezig geweest. Heb ik voicemails? Hoe zou het ermee zijn?”

Dan komen de klap, de opschuddingen de wonderbaarlijk snelle ontsnapping uit het vliegtuigwrak. Giselle bellen, is een van de eerste dingen die hij denkt. Met een geleende telefoon, want zijn eigen telefoon is hij kwijt.

Als Giselle na het belletje tot zichzelf is gekomen, begint ze te mailen. Naar hun vier kinderen, familieleden en vrienden. ,,Henk, maakt het goed,” schrijft ze. ,,Raar eigenlijk, want waarschijnlijk wisten de meeste van hen niet eens dat hij op reis was.”

Heijloo loopt intussen weg van het wrak. Langs een landweggetje ziet hij de ambulances staan. Honderden. Het dringt tot hem door: ,,Hier is sprake van een ramp en ik leef nog.”

Hij mist zijn bril, zijn jasje en zijn koffertje. ,,Ik draaide me om en liep terug. Via draden en de vleugel klimt hij het wrak in. ,,Ik zag meteen mijn spullen liggen. En overal kranten en kussentjes. Bloed op de stoelen en op het looppad.” Met de andere overlevenden wordt hij naar het opvangcentrum in Badhoevedorp gebracht. Een vriend brengt hem naar huis. Henk en Giselle knuffelen. Hij lééft nog.