Karst zei het zelf: ‘De 40 jaar zal ik niet halen…’

Vrienden Tates worstelen met gevoelens: Moet ik hem herinneren als vriend of moet ik hem haten?

COPRODUCTIE MET MET EDDY VAN DER LEY

Met zijn dodemansrit op Koninginnedag liet Karst Tates een hele natie met vraag- en littekens achter. Ook de vrienden uit de laatste episode van zijn leven, Paul, Michel, Wendela en Marijke, typeren hem als attent, lief en sociaal geëngageerd.

Ja, Karst hád een hekel aan het koningshuis en wás gefrustreerd door het verlies van zijn baan. ,,Maar zo’n aanslag? Zo was hij niet. Waarom deed je het, Karst, waarom?”

Karst en het koningshuis, het was altijd al een ongelukkige combinatie, schetsen vrienden en collega’s. In de pauzes bij werkgever distributiebedrijf Interlanden of tijdens discussies in de kroeg of aan de keukentafel: Karst toont zich een verklaard anti-monarchist.

,,Hij noemde ze huichelaars,” zegt collega en vriend Paul*. ,,Ze leefden van óns belastinggeld, terwijl wij wél hard moesten werken. Dat vond hij onrechtvaardig.” Ook kennissen van vóór zijn Interlandentijd herkennen de antiOranje-sentimenten. ,,De normaal zo rustige Karst raakte altijd erg opgefokt als het ter sprake kwam,” zegt één van hen. ,,Karst was heel principieel over onrecht.”

Vriend Michel: ,,Hij was niet agressief, wel fanatiek. Hij moest niets hebben van die zakkenvullers van het koningshuis. Een kwestie van principes.” En collega Marijke ter Buurkes: ,,Dat het koningshuis leeft van ons belastinggeld, druiste tegen zijn gevoel in. Dat liet hij heel duidelijk blijken.”

Karst Roeland Tates (6 maart 1971) kent een soepele en onbezorgde jeugd. Hij is het op één na jongste kind in een normaal gezin met twee zussen en een broer. Zijn vader is ambtenaar bij de gemeente Arnhem, moeder is huisvrouw en later vrijwilliger in de hulpverlening. Het gezin woont in Duiven en als kind gaat Karst naar de plaatselijke Thuvineschool.

Toenmalig directeur Stef Schaap herinnert zich hem als een ‘leuke knul’. ,,Hij was vrij klein, maar stond zijn mannetje. Karst kon behoorlijk voetballen en was goed in judo. Hij was niet haantje de voorste, maar stond wel altijd in het middelpunt. De meiden in de klas waren dol op hem.”

Karst ontpopt zich als een open, sociaal kind. ,,Zoals iedereen in het gezin,” zegt Schaap. ,,Het waren vriendelijke en erg betrokken mensen. Zijn moeder hielp mee met sportdagen en het organiseren van volksdansen en lezen.”

Karst gaat in 1983 naar het Liemers College in het nabijgelegen Zevenaar, waar het gezin ook naartoe verhuist. In de brugklas is Henk van der Ploeg zijn mentor en geschiedenisleraar. Hij typeert Karst als ‘een gewone jongen’. ,,Hij maakte op een normale manier deel uit van de groep. Sprong er niet bovenuit, maar was ook geen buitenbeentje. Hij had een frisse uitstraling en was goed in gym.”

Hij rondt de havo zonder doublures af. Hij haalt zijn diploma met voornamelijk zesjes, weet Van der Ploeg nog. Een poging ook het vwo-diploma te halen, strandt al snel. ,,Dat leek te hoog gegrepen. In vwo 5 had hij veel onvoldoendes. Hij zag wel in dat hij van school af moest.”

Karst gaat naar de Hotelschool in Apeldoorn, maar kapt die opleiding na anderhalf jaar af. In de jaren erna doorloopt hij de militaire dienst en verslijt hij diverse baantjes. Rond 1998 zit Karst aan de grond, vertellen zijn ouders tegen het ANP in het enige interview dat ze geven. Hij maakt schulden en leidt enige tijd een zwervend bestaan.

In 2000 volgt een kentering. Karst krijgt een baantje als pompbediende bij een Texaco-tankstation in Apeldoorn, betrekt een zolderkamer in een studentenhuis aan de Bosweg en lost zijn schulden af. ,,Die prestatie hebben we nog samen gevierd,” vertelt zijn vader.

Op Erick Kompier, eigenaar van het pompstation, maakt Karst een uiterst betrouwbare indruk. ,,Hij bemande het pompstation vaak in zijn eentje en kon die verantwoordelijkheid prima aan.” Geconfronteerd met een afbeelding van Karst, in blauw shirt en getooid met hanenkam, deinst de familie Kompier terug. ,,Verbijsterd waren we, toen we hoorden dat híj de dader was,” zegt Kompier. ,,Eng om die afbeelding te zien,” zegt zijn tienerdochter. ,,Arme Karst,” voegt ze toe.

In het studentenhuis, niet ver van monument De Naald, leeft Karst zijn eigen leven. ,,Hij was erg op zichzelf,” zegt zijn toenmalige medebewoonster Margriet Jesse. ,,Karst kookte zijn potje, rookte zijn blowtje en keek tv. Ik woonde direct naast hem, maar we hadden nauwelijks contact.”

Na een jaartje verhuist Karst naar een zelfstandige woning aan de Chamavenlaan, elders in Apeldoorn. In 2004 zegt hij zijn baan bij het tankstation op. ,,Dat vonden we jammer,”zegt pomphouder Kompier. ,,Maar na vier jaar vond hij het tijd voor iets anders dan de pomp. Die keuze hadden wij te respecteren.”

Hij schrijft zich in bij een uitzendbureau en krijgt halverwege 2005 werk bij Interlanden in Apeldoorn, een distributiebedrijf voor drukwerk. ,,Het viel me meteen op hoe ijverig, rustig en sympathiek hij was,” vertelt collega Paul. ,,En hij werkte hard voor zijn geld.” Dat is ook de ervaring van Marijke ter Buurkes, een andere collega. ,,Hij was altijd als eerste op het werk, had gevoel voor het bedrijf en kwam op voor de rechten van de werknemers. Bij maandvergaderingen stond hij als eerste op om te zeggen dat wij meer geld moesten verdienen. Dat vonden wij ook, maar híj zei het.”

Karst werkt zich snel op. Hij sleept een vast contract in de wacht en krijgt de functie van aanvoerder toebedeeld; met de heftruck moet hij de pakketten met folders aanleveren. ,,Karst was mijn beschermengel,” zegt Marijke. ,,Als iemand mij op m’n donder gaf, zei hij: ‘Doe eens rustig aan tegen dat meisje!’ Heel lief. Hij flirtte ook altijd, op een leuke manier. ‘Hé seksdwerg!’ riepen we als hij kwam aanzetten in zijn blauwe ribbroek, T-shirt en het gekke, blauwe tasje dat hij altijd bij zich had. Vond hij wel grappig.”

Karst heeft zelfspot, zegt Paul. Wat hij zegt, is duidelijk en raak. Variërend van gortdroog tot grappig. En soms ernstig, als het koningshuis ter sprake komt. ,,Ja, dan werd hij fanatiek in zijn mening. Maar niet agressief.”

Paul wil zijn herinneringen over Karst graag kwijt, het spreekverbod van werkgever Interlanden en de recherche ten spijt. ,,Ik wil laten weten dat hij geen eenzame, psychopathische gek was.” Paul is nog aangedaan en verward. Geconfronteerd met de laatste afbeelding van Karst, valt hij even stil. ,,Het is zo onwerkelijk,” stamelt hij.

Tussen hem en Karst ontwikkelt zich een vriendschap. Ze drinken biertjes na het werk en soms tijdens de weekeinden. Paul gaat naar grote housefeesten, Karst niet. Hij houdt niet van nachtenlang dansen, maar van pop-rockmuziek uit de hitparade van de jaren ’80.

Karst lijkt goed in zijn vel te zitten. Hij haalt zijn rijbewijs en verhuist naar Velp. Zijn eerste auto is een Suzuki, weet Paul. ,,Een blauwe.” In 2007 verruilt Karst zijn kamer in Velp voor een appartement in Huissen. Met zijn salaris, rond 1300 euro, kan hij de huur van 580 euro best opbrengen. Zijn blauwe Suzuki wisselt hij in voor een zwarte, een Swift, die hij koopt van een Turkse collega. Ook neemt Karst een nieuw kapsel, een kleine hanenkam. ,,Vond hij stoer.”

Paul introduceert Karst bij Michel en Wendela, met wie ook een vriendschap ontstaat. ,,Hij was heel leuk en ontspannen met onze twee kinderen,” zegt Wendela in haar flatwoning in Apeldoorn. ,,Híer zat hij altijd,” wijst ze naar de lege plek op de bank. ,,Heel vreemd om dat te beseffen. Weet je, ik heb ook regelmatig in zijn auto gezeten. Die zwarte Suzuki, ja.”

Michel: ,,Karst was zó’n vent. Toen we even aan de grond zaten, gaf hij ons geld voor eten en sigaretten. Huisje-boompje-beestje was niets voor hem. Gedoe, vond hij dat. Je moet al genoeg in het leven, vond hij.” Wendela: ,,We vroegen wel eens of hij geen vriendinnetje wilde, maar dan zei hij: ‘Mwoah, dat komt misschien vanzelf een keertje’. Het leek hem niet echt te passen.”

Dat hij er rechts-extremistische ideeën op na heeft gehouden, zoals op grond van zijn tatoeages is onderzocht door de Nationale Recherche, kan niemand van zijn vrienden zich voorstellen. ,,Ik weet dat hij een tatoeage van een anker op zijn lichaam had,” zegt Wendela. ,,Maar dat was heel onschuldig.” Paul: ,,En zou hij als rechts-extremist een auto kopen van een Turk?”

Paul: ,,Materiële zaken boeiden hem niet. Alleen kleding vond hij belangrijk. Hij zag er graag netjes uit. In zijn vrije tijd liep hij bij voorkeur in bloesjes en spencertjes. Net als op Koninginnedag, ja.”

In september 2008 neemt de spanning op zijn werk toe, als werkgever Interlanden moet reorganiseren. Paul: ,,Iedereen baalde ervan. Karst ook. Hij had het gevoel dat hij harder moest werken voor minder geld. Daar kwam zijn rechtvaardigheidsgevoel weer opzetten.” Marijke: ,,Hij zou aanvoerder worden bij een andere groep, was het plan. Daar baalde hij van. En hij was boos dat we minder zouden verdienen.”

Anders dan zijn collega’s blijft Karst plotseling weg van het werk. Marijke: ,,Daar snapten we niets van. Zo was hij niet.” Eind 2008 krijgt Karst ontslag.

Tussen kerst en oud en nieuw komt hij langs bij Michel en Wendela. ,,Hij gedroeg zich heel normaal,” herinnert Wendela zich. ,,We hebben samen nog de kerstboom afgetuigd. Gezellig. Hij maakte zich geen zorgen. Zei dat hij wat geld opzij had gezet. Ook was hij bezig met een opleiding voor in de beveiliging.”

Karst mist de trouwerij van het stel, op 5 januari. Hij zegt verhinderd te zijn. ,,Daarover voelde hij zich schuldig. Een paar dagen later kwam hij langs met een felicitatiekaartje. Heel attent.”
Vanaf februari is het stil rond Karst. Bij zijn vrienden in Apeldoorn laat hij zich niet zien. En thuis in Huissen maakt hij op medebewoners een teruggetrokken indruk. ,,Het was altijd al wat stil, maar hij gedroeg zich de laatste maand ook vreemd,” zegt buurman Jan Derksen. ,,Zo stuurde hij de toekomstige bewoners van zijn appartement weg toen zij het parket wilden opmeten.”

In maart loopt een kennis uit Velp Karst tegen het lijf in café ‘t Pintje. Hij treft een gefrustreerde Karst aan. ,,Hij was gedeprimeerd, baalde van zijn situatie als werkloze en merkte op dat het leven ‘op deze manier geen zin meer had’.” Ook laat Karst doorschemeren ‘niet in een wereld te passen waarin alles moet’.

Op woensdag 29 april feliciteert hij zijn moeder telefonisch met haar verjaardag. ,,Hij klonk vrolijk en opgewekt,” zegt zijn moeder tegen het ANP. Hij kondigt aan op 3 mei het feestje ter ere van haar verjaardag te bezoeken, maar verzwijgt dat hij op 1 mei de sleutel van zijn appartement in Huissen moet inleveren.

Op 30 april sleurt hij tijdens een maniakale dodemansrit zeven mensen de dood in. Zijn vrienden kijken verbijsterd naar de tv. ‘Onze Karst? Kijk dat bloesje. Inderdaad!’ Die nacht sterft Karst even voor drie uur in het ziekenhuis, met zijn ouders aan het bed.

De vrienden van Karst blijven met levensgrote vraagtekens achter. ,,Ik kan niet geloven dat hij bewust onschuldige mensen heeft willen doodrijden,” zegt Paul. ,,Zo was hij gewoon niet.” Michel en Wendela mijden sinds de aanslag alle kranten en nieuwsprogramma’s. ,,Dat kunnen we niet aan,” huivert Wendela.

,,Moet ik hem herinneren als vriend of moet ik hem haten?” worstelt Michel met zijn gevoelens. ,,Oké, hij haatte het koningshuis, maar dat rechtvaardigt deze daad niet. Hij had nota bene alles keurig op de rit, tot die reorganisatie bij Interlanden. Zou dat tot kortsluiting hebben geleid?”

Paul denkt vaak terug aan een opmerking van Karst. ,,Hij zei eens dat hij de veertig niet zou halen. En dat zijn dood goedschiks of kwaadschiks zou gaan. Ik ging er verder niet op in. Iedereen zegt weleens gekke dingen, toch? Maar nu krijg ik kippenvel van die opmerking. Bedoelde hij dít?” Paul weet het niet. ,,Leefde hij nog maar. Dat kon hij alles uitleggen. En gestraft worden. Karst, man, waarom deed je dit?”

*De naam van Paul is gefingeerd.

Hoogleraar: De woede stapelde zich wellicht op

,,Karsts levensverhaal wekt de indruk van iemand die constant op de vlucht was voor zichzelf en voor het leven,” zegt Corine de Ruiter, hoogleraar forensische psychologie aan de Universiteit van Maastricht.

,,Er lijken periodes van depressiviteit te zijn geweest, wellicht afgewisseld met periodes waarin het beter ging. Zijn cannabisgebruik kan een manier zijn om gevoelens van angst en somberheid te onderdrukken.,,Uiteindelijk maakt hij geen carrière en heeft geen eigen gezin en langdurige vriendschappen. Hij rechtvaardigt zijn levenswijze door tegen de nieuwe contacten die hij opdoet te verklaren dat hij geen belang hecht aan materiële zaken en een relatie gedoe vindt.

Een burgermansbestaan is niets voor hem, verklaart hij. Maar misschien was dit een pose om zijn onzekerheid, somberheid en verongelijktheid te verbergen.

Maar er was van alles aan de hand. De verongelijktheid zie je terug bij Interlanden waar hij uit woede zomaar wegblijft. Kennelijk kon hij niet adequaat met deze teleurstelling omgaan, zoals zijn collega’s dat deden. Hij moet op 1 mei zijn huis uit en zit met opgestapelde woede over de wereld en zijn eigen onvermogen om zijn leven vorm en zin te geven.

Mogelijk dat van binnen het lijntje breekt in de aanloop naar Koninginnedag, wanneer Nederland een instituut bejubelt waar hij een hekel aan heeft.”