Verdwalen in het Huis van de Poëzie

Wie: Ingmar Heytze, zijn dichtende vrienden en liefhebbers

Wat: Huis van de Poëzie

Waar: Stadhuis

,,Nationale gedichtendag, de dag dat ik weer dichten mag.’’ Organisator Ingmar Heytze – die vanavond het stadhuis heeft gekaapt – om er zijn Huis van de Poëzie te vestigen – is in zijn nopjes; het is Nationale gedichtendag.

Zijn collega’s en hij duiken de hele dag overal op. Op de radio. Bij het ontbijt. Op winkelcentra. Met cabaretiers. Onder invloed. Zonder invloed. Met muzikanten. Alleen. Lezend uit een bundel, voorlezend van een vod of uit het hoofd. Desnoods improviserend.

Maar vooral híer, in het Huis van de Poëzie, waar de burgemeester bezoeker, de dichter burgemeester en de bezoeker dichter bij de dichter is.Speciaal voor Ingmar Heytze, afzwaaiend stadsdichter, is een handvol regels uit zijn ‘Nieuw Utrechts Ambstbericht’ op één van de muren in het stadhuis vereeuwigd:

Gun ons de wijsheid van uw bewoners:

Laat deze raad hun vragen horen

En hun ware spreekbuis zijn

De tekst staat bovenaan de trap die naar de raadzaal leidt, zodat de raadsleden (en het college) elke keer voordat ze aan het vergaderen slaan, herinnerd worden aan de burgers namens wie ze de zaal mogen betreden. Hopelijk maakt het hen nederig, bescheiden en dienstbaar.

Ingmar Heytze wordt verlegen van dit cadeau. Zíjn woorden op díe muur. In het lettertype van de Utrechtse surrealist Moesman.

Ondertussen dwalen ruim zeshonderd bezoekers door het gebouw. Programmaboekje in de hand. Eerst even naar de bundelpresentatie van Vrouwkje Tuinman.

Trap op. Een kijkje bij de dichtersvergadering in de raadzaal. Trap af. Achteraan aansluiten voor een sessie van Joost Zwagerman in Huiskamer II. Vol. Verdikkeme. Dan maar een wijntje aan de bar.

Trap op. Plattegrond erbij. Naar rapper Pax. Hij improviseert op de dromerige orgelklanken van zijn maatje Niels. Over macht, liefde vriendschap en rechtvaardigheid. Niks geen dreunende beats. Geen draaitafels. Maar een dichtende reus die zijn hersenspinsels zonder pardon op zijn publiek loslaat.

Trap weer af. Nog een wijntje. In de Trouwzaal mijmert Hagar Peeters hoe ze vroeger als studentenmeisje in Utrecht met types als Ruben van Gogh en Ingmar Heytze schopte tegen de muffe, gevestigde orde. Titaantjes waren ze. Hemelbestormers.

Inmiddels woont ze alweer een tijdje in Amsterdam. Ze wil nog steeds schoppen, maar het lukt haar niet meer, bekent ze. ,,Ik wil terug! Naar Utrecht, dankzij Ingmar, de poëzie-hoofdstad van Nederland.’’

Ingmar Heytze wordt er weer verlegen van, neemt plechtig haar bundel én een glas bubbels in ontvangst en grijnst.

Terwijl Hagar Peeters het ongrijpbare onbegrijpelijk maakt, lijmt Gerrit Komrij in de burgemeesterskamer zíjn taalvondsten aaneen. Bubbels heeft inmiddels een gonzend hoofd van alle indrukken als Komrij zijn zegje doet:

In Utrecht zit een gekke stad verborgen

Die er niet uit wil. Soms verraadt ze iets,

Bubbels is verdwaald vandaag. Al die woorden. Al die zinnen. Al die dichters. Al die rake teksten en al die vaagheid. Het duizelt. Waar is de uitgang? Eindelijk buiten. Nu op zoek naar de plek waar het standbeeld van Ingmar Heytze moet komen. Heeft iemand een suggestie?

RUBRIEK: Bubbels, AD/UN